maandag 21 december 2015

Vat vol tegenstrijdigheden


Vaak en graag bevraag ik andere trainers en adviseurs op hun mensbeeld. Vanuit welke aannames over  ons ‘menszijn’ werken zij met klanten en deelnemers? Zo vroeg ik laatst in een workshop de deelnemers om te kiezen tussen twee stellingen:
A Alleen jij kent jezelf echt. Alleen jij kunt jezelf veranderen

B Alleen via de ander ken je jezelf. Alleen via de ander kun je veranderen

Ik vraag in zo’n situatie mensen om letterlijk ‘positie te kiezen’ door aan de ene of de andere kant van de ruimte te gaan staan. Vanuit die plek gaan ze het gesprek aan met elkaar, zodat ze letterlijk hun ‘standpunt’ aan elkaar toelichten. Ook nu weer waren er mensen die het liefst meteen in het midden zouden willen staan. Begrijpelijk, maar op dat moment nog even ‘verboden’.  Het positie moeten kiezen dwingt je namelijk ook om echt even stil te staan bij de onderbouwing, bij het expliciteren van je keuze. Dat daarbij het verschil met ‘de overkant’ even kunstmatig wordt uitvergroot is precies mijn bedoeling. Het creëren en onderzoeken van verschillen is iets wat misschien wel veel te weinig gebeurt in organisaties. Vaak is er eerder de neiging om snel tot overeenstemming te komen, de gelederen te sluiten en over te gaan tot actie. Maar daarmee wordt in mijn ogen een belangrijke stap overgeslagen: het onderzoeken en waarderen van verschil, van contrast, van these en anti-these.

In dit geval leidden de stellingen tot een mooi gesprek over fundamentele aannames. Een boeiende dialoog over de kracht van zowel autonomie als verbinding. Een onderzoekend gesprek over onze neiging om onszelf te onderscheiden van anderen en over onze onlosmakelijke verbondenheid met de (sociale) omgeving. Over de functie van introspectie, zelfreflectie, interactie, taal en communicatie bij de vorming van ons zelfbeeld etc..
Halverwege veranderden sommigen van positie en ‘staken over naar de andere kant’.  Om even werkelijk te voelen hoe het was om daar te staan. Dat ‘kunnen oversteken’ geeft ruimte om in jezelf beide opties serieus te nemen. Om jezelf even te verankeren in de ene kant en vervolgens te ervaren dat er werkelijk een andere optie is die misschien wel net zo verdedigbaar is. Waarbij mijn aanname is dat je de kracht van de beide tegenpolen niet zo sterk voelt als je meteen in het midden was gaan staan.

Vanuit de verschillen ontstond uiteindelijk het gemeenschappelijke beeld dat beide polen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Dat verbinding en autonomie twee diep menselijke behoeftes zijn die elkaar kunnen versterken. Die gezamenlijke conclusie voelde niet als een grijs compromis,  maar als een overstijgend ‘synthetisch’ besef dat de waarde van beide polen elk hun eigen plek hebben in een voortdurend schakelen tussen de twee. Het gaat er niet om dat je een definitieve keuze maakt , maar dat je de vrijheid voelt om te ‘spelen’ met beide opties naar gelang de situatie daarom vraagt.
Mijn mensbeeld:  Ons leven bestaat uit tegenstellingen. Wijzelf zijn een vat vol tegenstrijdigheden. Dat we voortdurend ‘heen en weer geslingerd’ lijken te worden tussen verschillende opties is echter goedbeschouwd geen reden tot ongerustheid maar eerder een troostrijke gedachte...

Op 18 februari verzorg ik samen met Ivo Brughmans een Trainingsdag over De Kracht van Tegenpolen. Meer weten?  kijk op Paradoxaal Leiderschap

dinsdag 10 november 2015

De Kracht van Tegenpolen

Onlangs las ik in het magazine van het FD een artikel over de ‘herwaardering’ van de introverte persoonlijkheid. Waar de personeelsadvertenties nog steeds uitsluitend lijken te schreeuwen om extraverte kwaliteiten als daadkracht, enthousiasme, creativiteit en lef, wordt stilaan ook duidelijk dat iets meer rust, relativering, diepgang en terughoudendheid ons een hoop ellende had kunnen besparen in de aanloop naar de crisisjaren.  Wat meer ‘introverte kwaliteiten’ zouden in de gemiddelde boardroom niet misstaan hebben, zo lijkt het achteraf.

Als extravert en introvert te beschouwen zijn als tegenpolen dan heeft de laatste veel te lang ontbroken in alle organisatie- en leiderschapstaal. In alle aandacht voor groei, versnelling en permanente verandering zijn introverte kwaliteiten stelselmatig genegeerd. Dat gaat zich een keer wreken en dat hebben we gemerkt ook! Een herwaardering van ‘introvert leiderschap’ lijkt volledig op zijn plaats. Of het er werkelijk van komt is een andere vraag maar als zelfs het FD er aandacht voor heeft geeft dat wel enige hoop..
Het tijdelijk ontbreken van gezonde aandacht voor de ‘tegenpool’ is in organisaties ook waar te nemen via zich herhalende slingerbewegingen in de strategie. Van centraal naar decentraal, van produktgericht naar marktgericht, van specialisatie naar verbreding van het aanbod, van groei door talrijke overnames naar ‘focus op de core’  en dat allemaal na een paar jaar vrolijk weer vice versa.... Met vaak de bijbehorende verzuchting van de langst zittende medewerkers ‘daar gaan we weer…’. 

Op dit moment vind ik de gelijktijdige bewegingen in de (jeugd-)zorg en bij de politie fascinerend.  De decentralisatie in de zorg wordt voorzien van een glanzend betoog over ‘dicht bij de mensen’, ‘ruimte voor lokale verantwoordelijkheid’ en ‘flexibiliteit’.  Teksten die naadloos aan zouden kunnen sluiten bij de ‘oude’ politieorganisatie. Daar echter is de centralisatie-gedachte voorzien van argumenten als ‘efficiency’, ‘slagkracht’ en ‘hoogwaardige specialisatie’. Teksten waar ze bij de versnipperende jeugdzorg alleen nog maar met heimwee aan terug kunnen denken… Beide trajecten kampen met vertragingen, kinderziektes, budgetoverschrijdingen en zorgen voor de nodige verwarring en frustratie bij medewerkers en burgers. En het zou mij niet verbazen als we over een aantal jaar een tweetal parlementaire enquetes verder zijn, waarbij het advies is om op beide terreinen de slinger weer een zwiep de andere kant op te geven.  Opnieuw in tegengestelde richting…
Maar ook wanneer er wel oog lijkt te zijn voor de ‘tegenoverliggende mening’ is dat nog geen garantie voor een geslaagde uitkomst. Het mengen van twee uitersten levert lang niet altijd een fatsoenlijke gekleurd besluit op. Een slecht gekozen compromis, zoals bijvoorbeeld het inmiddels verguisde ‘Bed-Bad-Brood’ besluit van ons ‘tegenpolige’ PvdA-VVD  kabinet kan juist behoorlijk ‘lelijk’ zijn.

De kunst is om te kiezen, om een echt besluit te nemen en te onderbouwen, maar met een scherp oog voor de andere kant. Met het meenemen van essentiële onderdelen uit de tegenpool. En met het vermogen om juist na een genomen besluit oog te houden voor de andere opties. Vaak lijkt na een besluit alles erop gericht om ‘alle neuzen dezelfde kant op te krijgen’. Dat is dé garantie voor het creëren van een gigantische collectieve blinde vlek in de organisatie. Tegenpolen zijn er niet voor niets, ze vertegenwoordigen meestal beide een belangrijke waarde en zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De kracht zit niet in het ‘overwinnen’ of ‘uitschakelen’ van de andere kant, maar in het benutten van de diversiteit. En precies dat vraagt, vaak na de hitte van het debat waarin het verschil scherp op tafel ligt, wel enige rust, relativering en reflectie. Als noodzakelijke eigenschappen om tot een weloverwogen afweging te komen.
Laat dat nou net het kunstje van die introverten zijn….

Op 18 februari verzorg ik samen met Ivo Brughmans een Trainingsdag over De Kracht van Tegenpolen. Meer weten?  kijk op Paradoxaal Leiderschap

donderdag 2 april 2015

Gaan en Blijven


 
18 Maart nam ik officieel afscheid bij de Baak. En diezelfde middag trad ik er aan als kersverse Associate tussen alle Baak-freelancers op de ‘Voorjaarsborrel’. Een bijzondere, gelukkige samenloop van omstandigheden. Nog één keer mocht ik het podium op als Baak-collega en na de pauze kon ik direct invoegen als ‘partner van de Baak’ tussen mijn nieuwe ‘freelance-collega’s’.  Gaan en Blijven. Kun je je laatste werkdag ervaren als een warm welkom? Het was wel het paradoxale effect van een bijzondere dag. Mij bekroop een beetje het gevoel van de ‘DELA-reclame’ waarin mensen hun dierbaren alvast liefdevol toespreken, want waarom zou je wachten tot iemand overleden is? Alsof je bij je eigen begrafenis bent en vervolgens een vanzelfsprekende come-back maakt. Ach ja, ’t is tenslotte ook bijna Pasen…;-)

Na 7 jaar bij de Baak en in totaal ruim 25 jaar in loondienst te hebben gewerkt ben ik, tegen mijn eigen verwachtingen in, toegetreden tot het gilde der ZZP-ers. Een groeiend leger van inmiddels ruim 1.000.000 ‘ondernemers’. Een perspectiefwisseling die meteen zijn weerslag heeft op je manier van denken, van handelen.
‘We zijn het verhaal dat we over onszelf aan onszelf vertellen’ was de quote die mijn collega’s hadden gebruikt voor een mooi aandenken, in de vorm van persoonlijke teksten en boekentips. Het verhaal over mezelf zal ‘hertaald’ gaan worden. Nu al merk ik dat ik dezelfde werkelijkheid anders waarneem, anders interpreteer. Eenmaal de grens over kan ik niet anders dan naar de wereld kijken als ‘zelfstandige’. Daarmee voelt het ook als een stap in het doorgaande proces van volwassen worden.

18 maart was de dag van de Provinciale Staten verkiezingen. Mijn zoon mocht dit jaar voor het eerst stemmen en heeft dat serieus en gewetensvol gedaan. Volwassen wordend. In mijn verhaal heb ik mijn vader in herinnering geroepen, die lang voordat de Baak zich had gevestigd in Driebergen meerdere keren op het Landgoed is geweest. In de jaren ’60 werden er door Kerk en Wereld weekenden gehouden waarop ‘de toestand in de wereld’ werd besproken en becommentarieerd. Het hele gezin ging mee, maar ik was te klein om het me te herinneren. Het beeld van Hans Petri, dat in Driebergen staat, stond er toen ook al. Ik kende het al omdat een foto ervan de voorkant van mijn vaders ‘logboek’ over het gezin sierde. Uitgerekend van dat beeld werd mij een levensgrote ingelijste foto aangeboden als cadeau van alle collega’s.

Het zijn van die dagen waarop alles klopt. Op een paradoxale manier. Gaan en Blijven. Afscheid nemen en meteen opnieuw Verbinden. Toekomst ontmoet Verleden.

Nu door als Associate van de Baak. Gaat het lukken? Geen idee, het leven wordt immers voorwaarts geleefd en achterwaarts begrepen. Maar afscheid nemen kan ik iedereen van harte aanbevelen. Al doe je maar alsof….

woensdag 6 maart 2013

Klopt het? Werkt het? Deugt het?


Klopt het? Werkt het? Deugt het? Met deze drie vragen gaat mijn collega Jules Koster al jarenlang vraagstukken bij klanten te lijf. En ik begrijp steeds beter wat hij ermee bedoelt en beoogt. Het zijn essentiële vragen die elke professional ook zichzelf regelmatig zou moeten stellen.
In ons vak wordt de vraag ‘Klopt het?’ zelden gesteld. Elke trainer verzamelt in de loop der jaren zo zijn eigen modelletjes, heeft zijn eigen voorkeuren en hangt een bepaald patroon van ideeën overtuigingen en aannames aan, die hij zelden expliciteert. Ik schreef er al eerder over. Als je daar als collega opmerkingen over maakt en probeert te onderzoeken of al die aannames ook kloppen, raak je meestal verward in een discussie over de relevantie van Waarheid. Veelgehoord: ‘Feiten, feiten, ik vind ze niet zo relevant. Wetenschap is tenslotte ook maar een Mening’. Of ‘Tsja, of het waar is kun je niet bewijzen, maar je kunt ook niet bewijzen dat het NIET waar is, dus...’. De Moeder aller drogredeneringen.  Mocht je als deelnemer de euvele moed hebben om de aannames van een trainer in twijfel te trekken dan loop je natuurlijk nog een ander risico. ‘Kennelijk is het altijd ter discussie stellen van wat anderen zeggen een Thema voor je. Een beschermingsmechanisme waardoor je jezelf ook iets onthoudt... Ik stel voor dat we samen onderzoeken waar je nu eigenlijk  precies bang voor bent..’ of TrainersTaal van gelijke strekking.
Wat mij betreft zou elke trainer de vraag ‘Klopt het wat ik doe?’ regelmatig moeten stellen. En dan vooral aan zichzelf natuurlijk.
Werkt het? is wel een veelbesproken vraag in de trainingsbranche. Een eindeloze reeks onderzoeken probeert erachter te komen wat het werkelijke effect van trainen nu precies is. Sommige buro’s introduceren een scala aan instrumenten waarmee dat effect aangetoond zou kunnen worden. Uiteraard altijd wel instrumenten waar de klant weer apart voor moet betalen…  Er wordt effect op verschillende nivo’s gesuggereerd. Effect op het individu en op de organisatie, op korte en lange termijn etc. Iedereen is op zoek naar de heilige Graal van Diepgaand, Blijvend en Duurzaam effect. Al die soorten effect maken het eigenlijk steeds eenvoudiger om de hamvraag te vermijden. Als individuele deelnemers geen direct effect benoemen, vallen we terug op het argument dat ‘Trainen op Zich’ op lange termijn de betrokkenheid en loyaliteit van medewerkers verhoogt. Of bijdraagt aan de aantrekkelijkheid van de organisatie voor nieuw talent. Als het effect ogenschijnlijk negatief is omdat bijvoorbeeld veel deelnemers na afloop een ander baan gaan zoeken, dan hanteren we het argument dat daarmee een hoop ellende is voorkomen. ‘Het heeft slechts een proces versneld dat zich onherroepelijk toch had voltrokken’.  Eigenlijk is de helpende redenering dezelfde als bij marketing: Trainen werkt waarschijnlijk voor 50%. Je weet alleen nooit van tevoren welke 50%....

Het werkelijke effect van een training is gelukkig ook helemaal niet aan te tonen. Daarvoor is de menselijke natuur en de complexe sociale context waarin hij opereert veel te ingewikkeld en onvoorspelbaar. Zeker op dit punt past ons daarom een hoge mate van bescheidenheid.
Deugt het? is misschien wel de meest relevante vraag in het huidige tijdsgewricht. Ook voor ons. Zeker voor ons. Wij waren er immers bij met al onze leiderschapsprogramma’s toen een hele branche, waarin onze grootste klanten zaten, richting de afgrond stormde. Hebben wij onze klanten en deelnemers dan wel de goeie vragen gesteld? Hebben we enig tegenwicht geboden tegen de zich opbouwende Bubble, voordat die uiteen spatte?  Wiens belang hebben we uiteindelijk gediend? Dat van onze deelnemers? Van de organisaties waar ze werkten? Hoe dachten wij zelf dan over de effecten op klanten, op de samenleving als geheel? Welke verantwoordelijkheid hebben wij daarbij eigenlijk? Zeker, we hebben er jaren een goeie boterham aan verdiend, maar was het ons dan alleen daarom begonnen?

Lerend van de crisis waarin we ons nog steeds bevinden, vind ik de belangrijkste opdracht voor ons Vak:  het vergroten van het ‘zelfreinigend vermogen’ van organisaties. Het trainen van leiders en professionals, opdat ze de moed hebben om ongemakkelijke vragen te stellen. Aan zichzelf en aan anderen.  En laten we dan als trainers minimaal proberen het goeie voorbeeld te geven.
Trainen. Klopt het? Werkt het? Deugt het? Wie het weet mag het zeggen...

 

vrijdag 4 januari 2013

Artsen met grenzen?


Laatst hoorde ik op radio 1 een interview met een student die back-packend in Turkije besloten had zijn laatste geld te besteden aan dekens. Vervolgens was hij de grens met Syrië  overgestoken om ze uit te gaan delen in Aleppo. Even terug in Nederland probeerde hij zoveel mogelijk geld in te zamelen, zodat hij snel met nog veel meer dekens terug kon keren naar Syrië.
De toon van de interviewer bevatte vooral verbaasde bewondering. Of hij niet bang was geweest, hoe hij zijn weg vond in Syrië en in de stad en hoe hij beoordeelde aan wie hij de dekens uitdeelde? Het verhaal was van een verbluffende eenvoud. Je zoekt iemand die je naar Aleppo wil rijden, loopt een huis binnen en ziet aan het interieur wel of er dekens nodig zijn. En ja, natuurlijk werd er gevochten, maar als je niet direct aan het front zat, was het vrij makkelijk om je te bewegen door de vele wijken van de stad.

Het gesprek eindigde uiteraard met de gegevens van de website waarop je geld kon doneren voor deze actie. Ongetwijfeld hebben veel luisteraars dat gedaan. Waarom niet? Wat kan erop tegen zijn om deze moedige student te steunen in zijn directe, onbaatzuchtige actie van medemenselijkheid?
Ik vond het een verwarrend gesprek, omdat ik me ook verplaatste in de positie van de ouders van deze jongen. ‘Nee, die waren er niet echt blij mee’, zie hij tijdens het interview. Mijn eigen zoon is 16. Wat als hij over een paar jaar met een vergelijkbaar initiatief komt? Zou ik het trots doorvertellen en hem van harte ondersteunen? Of zou ik alles uit de kast halen om hem ervan te weerhouden? Dat laatste zou ongetwijfeld averechts kunnen uitpakken, maar toch is dat wat ik zou doen.

Het interview bevatte namelijk nog een intrigerende passage. De student werd gevraagd of hij dan geen hulporganisaties was tegengekomen, waarbij hij zich had kunnen aansluiten? ‘Nee’, was het antwoord. ‘Die hebben zich teruggetrokken uit het gebied omdat het te gevaarlijk werd’.  En zo kreeg het gesprek ook de lading van de dappere eenling tegenover de laffe instituties. Het ondernemende initiatief van de oprechte medemens, tegenover de stroperige georganiseerde collectiviteit van de hulpverlening. Voordeel van de student was natuurlijk ook de glasheldere transparantie van zijn actie. Geen millimeter overhead, geen cent aan de strijkstok. Elke euro gaat naar dekens en alle dekens rechtstreeks naar hen die het nodig hebben.
Het risico dat de student loopt is enorm en de consequenties als het misgaat zijn fataal en onomkeerbaar. Maar toch doet hij het. Elke keer als hij opnieuw met nog meer dekens naar Aleppo kan groeit waarschijnlijk zijn overtuiging dat het ook deze keer goed zal gaan, wat hem telkens sterker maakt om de risico’s opnieuw  aan te gaan.

Aan de andere kant lijkt dit proces van toenemende opofferingsbereidheid akelig precies op de  spiraal van toenemende grenzeloze ‘gokzucht’ die de bankiers uit de fascinerende Tegenlicht-documentaire van Joris Luijendijk doormaakten. Ook daar leidt elk succes tot het aandurven van (nog) grotere risico’s. En waarschijnlijk niet eens uit pure hebzucht of immorele statusdrift, maar eerder als uitkomst van een onontkoombaar fysiologisch proces van verslaving.
Dat lijkt een ongepaste vergelijking. Is de intentie van de student immers niet 180 graden anders dan die van de met andermans geld gokkende trader? Dat is op z’n zachtst gezegd toch appels met peren vergelijken? En die bankiers functioneerden toch juist wel in een groter collectief? De overeenkomst voor mij is dat in beide gevallen het corrigerend vermogen van een kritische context ontbreekt. In de banken omdat de individuele traders alle ruimte kregen en middels torenhoge bonussen alleen maar werden aangemoedigd om door te gaan. In het geval van de student omdat er niemand om hem heen staat die een grens trekt en die hem behoedt voor zijn eigen blinde vlekken. Daarom:  als we niet uitkijken fungeert een succesvolle ‘fundraising’, fungeren de toenemende donaties voor onze moedige student als precies dezelfde aanjager van een ontsporend proces van onverantwoorde risico’s nemen als de bonussen dat doen voor de bankiers….

Een goed en kritisch functionerend collectief is er om ruimte en ondersteuning te bieden aan de individuen die er werken. Maar ook om waar en wanneer nodig te functioneren als tegenkracht voor onstuimige dadendrang en toenemend risicovol gedrag.
Een organisatie als Artsen zonder Grenzen stelt daarom Grenzen vast voor haar Artsen. Letterlijk: tot Hier en niet verder. En dat is dus waarschijnlijk maar goed ook....

woensdag 28 november 2012

Krimp-Markt?


Het einde van het jaar nadert alweer en dus is het opnieuw flink  raak met reclamespotjes van ziektekostenverzekeraars. Ik maak me sterk dat binnenkort dr. Luijks ook weer een keertje voorbij komt…
De kosten in de zorg zijn dagelijks nieuws, zeker na het verhitte debat over de inkomensafhankelijke premie. Kern van het vraagstuk lijkt: hoe houden we de kosten binnen de perken?

De vraag waar ik niet uitkom is hoe deze kerndoelstelling van beperking en krimp zich verhoudt tot het bepleiten van (meer) marktwerking. Die combinatie geeft op zijn minst een paar rare effecten:
Marktdenken levert Klanten op die ‘waar voor hun geld willen’. Opticiens spelen daar nu handig op in met de boodschap: ‘Kijk snel of u nog recht heeft op een gratis bril!’. Die bril lijkt voor de individuele afnemer misschien gratis, maar wordt natuurlijk linksom of rechtsom gewoon betaald. Als iedere calculerende consument  de oproep volgt gaan de totale zorgkosten daarmee omhoog en niet omlaag…

Ook ziektekostenverzekeraars verleiden hun Klanten met ‘waar voor je geld-boodschappen’: Stel je eigen pakket samen! (bv geen kraamhulp meer als je al (genoeg) kinderen hebt..). Kom bij ons selecte voordelige gezelschap! (Polis voor Hoog Opgeleiden…). Ontvang je premie deels terug als je geen kosten maakt! (Alleen lage risicogroepen verzamelen…). Prima idee voor hen die ervan kunnen profiteren. Maar wat als dit een structurele verdeling wordt? De ‘Markt’ wordt dan aan de bovenkant laagje voor laagje afgeroomd. Alle solidariteit wordt eruit geknepen, net zolang totdat er een groep van ‘moeilijk  verzekerbaren’ overblijft waar geen enkele verzekeraar in geïnteresseerd is. De kans zal toenemen dat die zich helemaal niet meer verzekeren, omdat voor hen de premie uiteindelijk ongetwijfeld onbetaalbaar wordt. Is het weigeren van zorg aan hen dan het middel om de uiteindelijke doelstelling te realiseren? Hoe krijgen we anders de zorgkosten omlaag?
Maar het wonderlijkst vind ik toch het basis-idee dat Martkwerking zal bijdragen aan Krimp. In eerste instantie lijkt het Markt-argument gevoed door het bekende ‘ondernemers-optimisme’: Zie Problemen als een Uitdaging! In essentie is Marktdenken in de zorg het vervangen van ‘Zorgkosten’ als Probleem door ‘Zorgomzet’ als Uitdaging. Als ziekenhuizen zich gaan gedragen als goeie ondernemers zullen ze effectiever en efficienter gaan werken. Beloning voor dat gedrag is…. Meer omzet! Per ziekenhuis levert dat wellicht voordeel op: goede zorg tegen acceptabele kosten. Maar als het in de volle breedte ‘lukt’, dan zal deze branche als geheel natuurlijk snel groeien. Goed voorbeeld doet goed volgen, dus als het ondernemerschap aanstekelijk werkt kan iedereen succesvol Zorgondernemer worden. Hoera! Of niet? De Omzet in het Martkdenken is immers toch nog steeds precies gelijk aan de Kosten in de oorspronkelijke formulering?  En die zou dan gaan dalen? Welke Markt krimpt er nu vrijwillig? In welke Winkel hoort de klant: 'We verkopen het wel, maar u krijgt het niet, want dan loopt de totale omzet in onze branche teveel op…'. Bestaan er soms succesverhalen van vrolijke ondernemers die in snel tempo gezamenlijk de markt laten slinken en terugbrengen naar een nivo van decennia geleden?

Voorbeelden van jarenlange Marktwerking die tot uiteindelijk tot krimp leidt zijn er natuurlijk best. Enorme Krimp zelfs. De Bankencrisis en de Vastgoedcrisis zijn de meest recente….  Maar het lijkt me toch stug dat dat de Krimp is in de Zorgmarkt die we voor ogen hebben. Hoewel….
Nog een bericht in de krant van vandaag: Ook aan de onderkant van de 'markt’ lijken kansen te liggen voor zorg-ondernemers.  Zorgverzekeraar Zorgeloos (ik verzin het echt niet) biedt polissen aan waarin je het eigen risico  kunt afkopen. Een ‘uitkomst voor chronisch zieke’, meldt de kop. Aan het eind van het artikel nog een kleine kritische noot: ‘ASR (waar de verzekeringen worden ondergebracht) is niet bang dat de polis ‘alleen maar slechte risico’s zal aantrekken’,  zegt het bedrijf, omdat het zich vooral richt op internet en bijvoorbeeld adverteert op radiozenders voor een jonger publiek zoals 538…’

Ik denk echt niet dat de verkopers van deze polissen op torenhoge  targets staan en er binnen ‘Zorgeloos’  een bonuscultuur heerst. En ik heb geen idee of je dit soort polissen ook kunt ‘versnijden tot ogenschijnlijk aantrekkelijke Zorg-AAA-pakketjes’, maar de analogie met de verkoop van subprime-hypotheken schiet mij wel verdacht snel te binnen….
De Zorgkosten zijn ons gezamenlijke probleem. Dat zullen we gezamenlijk moeten oplossen. Als burgers. Marktwerking lijkt er een individuele uitdaging van te maken. Van individuele Klanten en van individuele Ondernemers. Dat kan natuurlijk, maar daar is misschien Zorg net te kostbaar voor….

 P.S. Ik bleek niet de enige die verbaasd was over het initiatief van Zorgeloos. Al na 1 dag is de stekker eruit getrokken...

zondag 28 oktober 2012

Postcode Loterij?


Uit de speltheorie is bekend dat een loterij populairder wordt naarmate de hoofdprijs groter is. We doen liever mee wanneer we een hele kleine kans maken op een extreem hoog bedrag, dan wanneer de kans om een ‘bescheiden’ hoofdprijs te winnen een stuk hoger is. We realiseren ons kennelijk wel dat de kans dat we winnen zeer gering is, maar de aantrekkingskracht gaat uit van de irreële, maar hoopvolle gedachte ‘stel je nu eens voor dat…’
Na een paar decennia neoliberalisme lijkt onze hele samenleving steeds meer op zo’n loterij.  Het geld verzamelt zich in alsmaar groter wordende hoeveelheden bij een alsmaar kleiner wordend deel van de bevolking. ‘Plutocrats, the rise of the new global super-rich and the fall of everyone else’ heet het boek dat Allen Lane erover schreef. Dat dit nog steeds niet tot woedende opstanden en sociale ontwrichting heeft geleid is misschien wel te danken aan dat ‘loterij-effect’. De typische American Dream gedachte steunt immers op dezelfde principes. De top is smal, maar iedereen heeft kans om er te komen. Van krantenjongen tot miljonair. De helden van de samenleving zijn de succesvolle bestijgers van de sociale ladder. Voorbeelden daarvan doen het nog steeds goed in de reclame, de film of de politiek. Dat het er steeds minder zijn lijkt niemand te deren. De kansen bij de start zijn immers, net als bij een loterij, voor iedereen gelijk. Of niet?
Paul Verhaeghe beschrijft in zijn boek 'Identiteit' (lees dat boek!) prachtig dat het bieden van gelijke kansen (terecht) een prominente doelstelling is geweest bij de emancipatie van achtergebleven bevolkingsgroepen. Niet het feit of je geboren wordt in een rijke, welvarende familie, maar de vraag of je talent hebt om iets toe te voegen aan de samenleving, bepaalt je mogelijkheden. Toegang tot (hoger) onderwijs maakt dat vanuit alle lagen in de bevolking het beste uit mensen naar boven kan worden gehaald. Dat is de mooie verdienste van een meritocratie. Op dit moment maken we echter kennis met een doorgeschoten variant daarvan: de ‘Enron-maatschappij’ waarin iedereen zich in een voortdurende onderlinge competitie bevindt. Een levenslange ratrace naar individueel succes.
Die ontwikkeling heeft zeker niet geleid tot de ‘klasseloze’ samenleving waarin iedereen zich vrij kan bewegen op de sociale ladder. Er blijken steeds duidelijker scheidslijnen te lopen tussen de verschillende lagen. Wat we eten , welke tv-zenders we kijken, welke namen we onze kinderen geven  en vooral waar we wonen geeft akelig precies aan tot welke groep we behoren. Bovendien wordt er ook ‘strategisch getrouwd’ binnen de eigen klasse (Jan Latten en Willem Botermans, vk 27 okt). Allemaal om de kansen voor ‘de onzen’ groter te maken en groter te houden.
Zo wordt de loterij op zijn minst een Postcode-Loterij…
En nog los van de vraag of de kans bij de start werkelijk voor iedereen hetzelfde is, schuilt er in onze maatschappij nóg een addertje onder het gras. Want ben je bij een loterij geheel afhankelijk van de trekking door de notaris, binnen het moderne ‘succes-is-een-keuze-paradigma’ heb je je Lot letterlijk zelf in eigen hand! Niet een ander, maar alleen jijzelf bepaalt of je lot winnend is. Alles is immers mogelijk, als je er maar werkelijk voor gaat…
De gevaarlijke achterkant van de Loterij-gedachte is dat we ons geen zorgen hoeven maken om de verliezers. Als de kansen voor iedereen gelijk heten te zijn en je bovendien zelf grote invloed hebt op je Lot, dan is de enige boodschap voor hen die nog niet wonnen: blijven proberen! Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Ontdek je ware talent, zet je schouders eronder en ga ervoor!
Onze branche doet er vrolijk en stevig aan mee als we niet uitkijken…